-heid en -teit zonder kaart; sterk of zwak
Lesdoel: "Ik kan het langermaakwoord met -heid en -teit goed schrijven."
Zo coacht u: zonder kaart, en sterk of zwak
Uw kind maakte het dictee weer zonder categoriekaart: de regels zitten nu in het hoofd. Ook oefende uw kind met werkwoorden die sterk (de klank verandert: ik zing, ik zong) of zwak (de klank blijft gelijk: wij bukken, wij bukten) zijn.
- Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
- Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
- Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
- Luister naar het woord en zeg het na. Denk in je hoofd aan de categorie en de regel, zonder kaart.VraagWelk woord hoorde je? Welke categorie is het?
- Zeg de regel: ‘Langermaakwoord. Ik hoor een /t/ aan het eind, dus langer maken. Ik hoor of ik d of t moet schrijven.’ en ‘Staat op de ei-plaat, dus korte ei.’ voor -heid en -teit.VraagWat is het langere woord? Hoor je een d of een t?
- Een samenstelling? Zet een sterretje ervoor en zeg per deel de categorie.VraagUit welke woorden bestaat het?
- Een werkwoord: verandert het van klank in de verleden tijd? Dan is het sterk. Blijft de klank gelijk? Dan is het zwak.VraagKlinkt het werkwoord anders in de verleden tijd? Is het sterk of zwak?
Samen oefenen aan tafel
- Lees elk woord één keer voor, zonder boek of kaart; uw kind schrijft het op en zegt de regel: de bezigheid · de majesteit · de duidelijkheid.Vraag: hoor je een d of een t in het lange woord?1: de bezigheid (bezigheden, d) · de majesteit (majesteiten, t) · de duidelijkheid (duidelijkheden, d). Staat op de ei-plaat, dus korte ei.
- Sterk of zwak? U zegt het werkwoord, uw kind zegt de verleden tijd en of het sterk of zwak is: lezen · plakken · blijven · tekenen.Vraag: verandert de klank in de verleden tijd?2: lezen – las: sterk · plakken – plakte: zwak · blijven – bleef: sterk · tekenen – tekende: zwak
- Werkwoordenrij: u zegt het werkwoord (drinken · leren · zingen), uw kind schrijft ik … · jij … en de verleden tijd: ik …Vraag: wat is de ik-vorm? Waar komt een t?3: ik drink – jij drinkt – ik dronk / ik leer – jij leert – ik leerde / ik zing – jij zingt – ik zong
- Uit het dagelijks leven: zoek in een folder of boek twee woorden op -heid of -teit. Uw kind zegt bij elk woord de regel.Vraag: wat is het langere woord?4: eigen woorden.
Hoe ging het?
Tip van de juf
- Zonder kaart: laat uw kind eerst de regel in het hoofd zeggen en dan pas schrijven. Een woord spellen hoeft niet: het gaat om de klank en de regel.
- Veelgemaakte fout: een t schrijven aan het eind van -heid, of een d bij -teit. Maak het woord daarom altijd langer.
-heid and -teit without the card; strong or weak
Learning goal: "I can write the make-longer word with -heid and -teit correctly."
How you coach: without the card, and strong or weak
Your child did the dictation without the category card again: the rules are now in their head. Your child also practised verbs that are sterk (strong: the sound changes, ik zing, ik zong) or zwak (weak: the sound stays the same, wij bukken, wij bukten).
- Let your child explain. You listen and ask more.
- Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
- Praise the method, not just the answer.
- Listen to the word and say it back. Think of the category and the rule in your head, without the card.AskWhich word did you hear? Which category is it?
- Say the rule: ‘Langermaakwoord. Ik hoor een /t/ aan het eind, dus langer maken. Ik hoor of ik d of t moet schrijven.’ and ‘Staat op de ei-plaat, dus korte ei.’ for -heid and -teit. (Make the word longer to hear d or t; -heid and -teit are on the ei chart, so short ei.)AskWhat is the longer word? Do you hear a d or a t?
- A samenstelling (compound word)? Put a star in front of it and say the category for each part.AskWhich words is it made of?
- A verb: does its sound change in the past tense? Then it is sterk. Does the sound stay the same? Then it is zwak.AskDoes the verb sound different in the past tense? Is it strong or weak?
Words in bold are the Dutch words your child uses in class.
Practise together at the table
- Read each word aloud once, without a book or card; your child writes it down and says the rule: de bezigheid · de majesteit · de duidelijkheid.Ask: do you hear a d or a t in the long word?1: de bezigheid (bezigheden, d) · de majesteit (majesteiten, t) · de duidelijkheid (duidelijkheden, d). Staat op de ei-plaat, dus korte ei.
- Strong or weak? You say the verb, your child says the past tense and whether it is strong or weak: lezen · plakken · blijven · tekenen.Ask: does the sound change in the past tense?2: lezen – las: strong · plakken – plakte: weak · blijven – bleef: strong · tekenen – tekende: weak
- Verb rows: you say the verb (drinken · leren · zingen), your child writes ik … · jij … and the past tense: ik …Ask: what is the ik-vorm (the ‘I’ form)? Where does a t go?3: ik drink – jij drinkt – ik dronk / ik leer – jij leert – ik leerde / ik zing – jij zingt – ik zong
- From daily life: find two words ending in -heid or -teit in a Dutch leaflet or book. Your child says the rule for each word.Ask: what is the longer word?4: own words.
How did it go?
Tip from the teacher
- Without the card: let your child first say the rule in their head, and only then write. No need to spell a word out: it is about the sound and the rule.
- Common mistake: writing a t at the end of -heid, or a d with -teit. So always make the word longer.
Was deze kaart nuttig?Was this card useful?
Dank je! Je antwoord is anoniem; alleen het aantal gaat naar de juf.Thank you! Your answer is anonymous; only the count goes to the teacher.
Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.