Werkwoorden in alle tijden
Lesdoel: "Ik kan de categorieën en werkwoorden waar ik nog moeite mee heb goed schrijven."
Zo coacht u: één werkwoord in drie tijden
Week 4 is de herhaalweek. Uw kind schreef vandaag werkwoorden in alle tijden: de tegenwoordige tijd, de verleden tijd en de voltooide tijd, en zei bij elke tijd de werkwoordregel. Daarna maakte uw kind een dictee met de categoriekaart en zocht het in een zin de woordsoorten.
- Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
- Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
- Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
- Zeg het hele werkwoord en de persoon (ik, jij, hij, wij …).VraagWat is het hele werkwoord? Welke persoon is het?
- Tegenwoordige tijd? Zeg: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat en bij de gebiedende wijs.VraagWat is de ik-vorm? Moet er een t bij?
- Verleden tijd? Zeg: Persoonsvorm in de verleden tijd van een sterk werkwoord. Ik denk aan de categoriekaart. Voltooide tijd? Zeg: Voltooid deelwoord. Ik denk aan de categoriekaart.VraagVerandert de klank? Welk hulpwerkwoord hoort erbij?
- Lees de hele zin na: klopt de tijd bij de persoon?VraagKlopt het? Hoe weet je dat?
Samen oefenen aan tafel
- Lees elk woord één keer voor; uw kind zegt het na, noemt de categorieën en schrijft het op: de claxon · de excursie · de box.Vraag: welke categorie hoor je? Wat is de regel?1: de claxon: Colawoord. Ik schrijf c. · Taxiwoord. Ik schrijf x. · de excursie: Taxiwoord. Ik schrijf x. · Colawoord. Ik schrijf c. · de box: Taxiwoord. Ik schrijf x.
- Werkwoorden: u zegt het hele werkwoord (komen · schrijven · nemen); uw kind schrijft ‘wij …’ in de tegenwoordige, de verleden en de voltooide tijd.Vraag: welke werkwoordregel hoort bij welke tijd?2: wij komen – wij kwamen – wij zijn gekomen · wij schrijven – wij schreven – wij hebben geschreven · wij nemen – wij namen – wij hebben genomen
- Lees voor: ‘Papa bakt twee pannenkoeken en een ei.’ Uw kind zet onder elk woord de woordsoort: znw, ww, tw, vw of lw.Vraag: welk woord zit tussen de twee dingen?3: Papa (znw) bakt (ww) twee (tw) pannenkoeken (znw) en (vw) een (lw) ei (znw)
- Uit het dagelijks leven: uw kind schrijft drie zinnen over een uitstapje: één in de tegenwoordige, één in de verleden en één in de voltooide tijd.Vraag: hoe weet je welke tijd het is?4: eigen zinnen
Hoe ging het?
Tip van de juf
- Laat uw kind bij elk werkwoord eerst de tijd noemen en dan de werkwoordregel: zo gaat de juf te werk.
- Eerst de regel zeggen, dan pas schrijven.
Verbs in all tenses
Learning goal: "I can correctly write the categories and verbs I still find difficult."
How you coach: one verb in three tenses
Week 4 is the revision week. Today your child wrote verbs in all tenses: the present, the past and the perfect tense, and said the verb rule for each tense. Then your child did a dictation with the category card and found the word classes in a sentence.
- Let your child explain. You listen and ask more.
- Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
- Praise the method, not just the answer.
- Say the whole verb and the person (ik, jij, hij, wij …).AskWhat is the whole verb? Which person is it?
- Present tense? Say: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat en bij de gebiedende wijs. (Finite verb in the present tense: the ‘I’ form + t, except with ik, when jij or je comes after it, and in the imperative.)AskWhat is the ik-vorm (the ‘I’ form)? Does it need a t?
- Past tense? Say: Persoonsvorm in de verleden tijd van een sterk werkwoord. Ik denk aan de categoriekaart. (Finite verb in the past tense of a strong verb. I think of the category card.) Perfect tense? Say: Voltooid deelwoord. Ik denk aan de categoriekaart. (Past participle. I think of the category card.)AskDoes the sound change? Which auxiliary verb goes with it?
- Read the whole sentence back: does the tense fit the person?AskIs it right? How do you know?
Words in bold are the Dutch words your child uses in class.
Practise together at the table
- Read each word once; your child repeats it, names the categories and writes it: de claxon · de excursie · de box.Ask: which category do you hear? What is the rule?1: de claxon: Colawoord. Ik schrijf c. (I hear k, I write c) · Taxiwoord. Ik schrijf x. (I write x) · de excursie: Taxiwoord. Ik schrijf x. · Colawoord. Ik schrijf c. · de box: Taxiwoord. Ik schrijf x.
- Verbs: you say the whole verb (komen · schrijven · nemen); your child writes ‘wij …’ in the present, the past and the perfect tense.Ask: which verb rule goes with which tense?2: wij komen – wij kwamen – wij zijn gekomen · wij schrijven – wij schreven – wij hebben geschreven · wij nemen – wij namen – wij hebben genomen
- Read aloud: ‘Papa bakt twee pannenkoeken en een ei.’ Your child writes the word class under each word: znw (noun), ww (verb), tw (number), vw (conjunction) or lw (article).Ask: which word is between the two things?3: Papa (znw) bakt (ww) twee (tw) pannenkoeken (znw) en (vw) een (lw) ei (znw)
- From daily life: your child writes three sentences about a day out: one in the present, one in the past and one in the perfect tense.Ask: how do you know which tense it is?4: own sentences
How did it go?
Tip from the teacher
- For every verb, let your child first name the tense and then the verb rule: that is how the teacher works.
- First say the rule, and only then write.
Was deze kaart nuttig?Was this card useful?
Dank je! Je antwoord is anoniem; alleen het aantal gaat naar de juf.Thank you! Your answer is anonymous; only the count goes to the teacher.
Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.