Coachkaart voor thuis · De Bloesem

Herhaling: categorieën en werkwoorden

Groep 6Spelling · Blok 8, week 4 · les 110 min, zonder scherm

Lesdoel: "Ik kan de categorieën en werkwoorden waar ik nog moeite mee heb goed schrijven."

Zo coacht u: categorie en regel bij elk woord

Dit is de herhalingsweek van blok 8. Uw kind vulde achterin het werkboek in welke categorieën het nog lastig vindt, maakte rijen werkwoorden af en schreef een dictee met een zin. Bij elk woord zei het de categorie en de regel.

  • Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
  • Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
  • Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
  1. Luister naar het woord en zeg het na.
    VraagWelk woord hoorde je? Zeg het nog eens.
  2. Leg je vinger op de categorie en denk aan de regel. Zeg de categorie en de regel.
    VraagWelke categorie zit erin? Wat is de regel?
  3. Schrijf het woord op. Een samenstelling? Zet een sterretje ervoor.
    VraagIs het een samenstelling?
  4. Een werkwoord? Is het een persoonsvorm? Zeg dan de werkwoordregel: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat en bij de gebiedende wijs.
    VraagIs het een persoonsvorm? Wat is de ik-vorm?

Samen oefenen aan tafel

  1. Lees elk woord één keer voor; uw kind zegt het na en schrijft het op: het voorstellinkje · de mixer · de baby’s.Vraag: welke categorie herken je? Wat is de regel?
  2. Werkwoorden: u zegt het hele werkwoord (verwerken · herstellen · beschrijven); uw kind schrijft hij … en hij heeft …Vraag: wat is de ik-vorm? Welke werkwoordregel hoort erbij?
  3. Lees voor: ‘Tijdens de les heeft de juf een filmpje getoond.’ Uw kind zoekt de persoonsvorm (pv), het werkwoordelijk gezegde (wwg) en het onderwerp (ond).Vraag voor het onderwerp: wie + het werkwoordelijk gezegde?
  4. Uw kind kiest een categorie die nog lastig is en bedenkt of zoekt er vijf woorden bij.Vraag: hoe weet je dat het woord bij de categorie hoort?

Hoe ging het?

Tip van de juf

  • Laat uw kind bij elk woord eerst de regel zeggen en dan pas schrijven.
Antwoorden voor de ouder: 1: het voorstellinkje: Verkleinwoord met -nkje. Plankwoord. Daar mag niets tussen. Dan je erachter. · de mixer: Taxiwoord. Ik schrijf x. · de baby’s: Apostrof-s-meervoud. Bij meervoud en lange klank, y of i aan het eind: apostrof-s, behalve bij ee. · 2: hij verwerkt – hij heeft verwerkt · hij herstelt – hij heeft hersteld · hij beschrijft – hij heeft beschreven · 3: persoonsvorm heeft; werkwoordelijk gezegde heeft getoond; onderwerp de juf (Wie heeft getoond?) · 4: eigen woorden
Home coaching card · De Bloesem

Revision: categories and verbs

Year group 6Spelling · Block 8, week 4 · lesson 110 min, no screens

Learning goal: "I can correctly write the categories and verbs I still find difficult."

How you coach: category and rule with every word

This is the revision week of block 8. At the back of the workbook your child noted which categories are still difficult, completed rows of verbs and wrote a dictation with a sentence, saying the category and rule each time.

  • Let your child explain. You listen and ask more.
  • Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
  • Praise the method, not just the answer.
  1. Listen to the word and say it back.
    AskWhich word did you hear? Say it again.
  2. Put your finger on the category and think of the rule. Say the category and the rule.
    AskWhich category is in it? What is the rule?
  3. Write the word down. A samenstelling (compound word)? Put a star in front of it.
    AskIs it a compound word?
  4. A verb? Is it the persoonsvorm (finite verb)? Then say the verb rule: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat en bij de gebiedende wijs. (Finite verb in the present tense: the ‘I’ form + t, except with ik, when jij or je comes after it, and in the imperative.)
    AskIs it the finite verb? What is the ik-vorm (the ‘I’ form)?

Words in bold are the Dutch words your child uses in class.

Practise together at the table

  1. Read each word aloud once; your child says it back and writes it down: het voorstellinkje · de mixer · de baby’s.Ask: which category do you recognise? What is the rule?
  2. Verbs: you say the whole verb (verwerken · herstellen · beschrijven); your child writes hij … and hij heeft …Ask: what is the ‘I’ form? Which verb rule goes with it?
  3. Read aloud: ‘Tijdens de les heeft de juf een filmpje getoond.’ Your child finds the pv (finite verb), the werkwoordelijk gezegde (wwg, all the verbs) and the onderwerp (ond, subject).For the subject ask: who + all the verbs together?
  4. Your child chooses a difficult category and thinks of or looks up five words for it.Ask: how do you know the word belongs to that category?

How did it go?

Tip from the teacher

  • Let your child say the rule first with every word, and only then write.
Answers for the parent: 1: het voorstellinkje: Verkleinwoord met -nkje. Plankwoord. Daar mag niets tussen. Dan je erachter. · de mixer: Taxiwoord. Ik schrijf x. · de baby’s: Apostrof-s-meervoud. Bij meervoud en lange klank, y of i aan het eind: apostrof-s, behalve bij ee. · 2: hij verwerkt – hij heeft verwerkt · hij herstelt – hij heeft hersteld · hij beschrijft – hij heeft beschreven · 3: persoonsvorm heeft; werkwoordelijk gezegde heeft getoond; onderwerp de juf (Wie heeft getoond?) · 4: own words

Was deze kaart nuttig?Was this card useful?

Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.

Deze kaart in een andere taal of laten voorlezen? Scan de code. This card in another language or read aloud? Scan the code.
De Bloesem · groep 6 · gemaakt bij de les van de juf De Bloesem · group 6 · made with the teacher's lesson