Coachkaart voor thuis · De Bloesem

Herhaling: categorie en regel

Groep 6Spelling · Blok 8, week 3 · les 510 min, zonder scherm

Lesdoel: "Ik kan de categorieën en werkwoorden waar ik nog moeite mee heb goed schrijven."

Zo coacht u: categorie en regel bij elk woord

Vandaag herhaalde de juf de categorieën en werkwoorden waar het nog niet vanzelf gaat. Uw kind zei bij elk woord de categorie en de regel, schreef een dictee met een zin en zocht in die zin de woordsoorten. Ook bedacht het wat het extra blijft oefenen.

  • Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
  • Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
  • Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
  1. Luister naar het woord en zeg het na.
    VraagWelk woord hoorde je? Zeg het nog eens.
  2. Leg je vinger op de categorie en denk aan de regel. Zeg de categorie en de regel.
    VraagWelke categorie zit erin? Wat is de regel?
  3. Schrijf het woord op. Een samenstelling? Zet een sterretje ervoor.
    VraagIs het een samenstelling?
  4. Een werkwoord? Eerst: is het een persoonsvorm? Dan de werkwoordregel: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat en bij de gebiedende wijs.
    VraagIs het een persoonsvorm? Wat is de ik-vorm?

Samen oefenen aan tafel

  1. Lees elk woord één keer voor; uw kind zegt het na en schrijft het op: het cellootje · het gorillaatje · de yoga.Vraag: welke categorie herken je? Wat is de regel?
  2. Werkwoordenrij: u zegt het werkwoord (bedenken · herkennen · verhuizen), uw kind schrijft ik … · hij … · … jij?Vraag: wat is de ik-vorm? Waar komt een t?
  3. Lees voor: ‘Zij plukt zes rode appels en een gele peer.’ Uw kind zet onder elk woord de woordsoort: ww, tw, bnw, znw, lw of vw. (Zij slaan we over.)Vraag: welk woord zegt hoeveel?
  4. Kies een categorie die nog lastig is, zeg de regel en bedenk er drie woorden bij.Vraag: hoe weet je dat het klopt?

Hoe ging het?

Tip van de juf

  • Gebruik thuis dezelfde woorden en regels als op school: ander materiaal, ook van internet, kan verwarring geven.
  • Lukt een woord niet? Doe het één keer voor; uw kind zegt het na en schrijft het zelf op.
Antwoorden voor de ouder: 1: het cellootje: Verkleinwoord met -ootje. · het gorillaatje: Verkleinwoord met -aatje. · de yoga: Griekse y-woord. Ik schrijf Griekse y. · 2: ik bedenk · hij bedenkt · bedenk jij? / ik herken · hij herkent · herken jij? / ik verhuis · hij verhuist · verhuis jij? · 3: Zij plukt (ww) zes (tw) rode (bnw) appels (znw) en (vw) een (lw) gele (bnw) peer (znw) · 4: eigen woorden.
Home coaching card · De Bloesem

Revision: category and rule

Year group 6Spelling · Block 8, week 3 · lesson 510 min, no screens

Learning goal: "I can correctly write the categories and verbs I still find difficult."

How you coach: category and rule with every word

Today the teacher revised the categories and verbs that are not automatic yet. With every word your child said the category and the rule, wrote a dictation with a sentence and found the word classes in that sentence. Your child also decided what they will keep practising.

  • Let your child explain. You listen and ask more.
  • Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
  • Praise the method, not just the answer.
  1. Listen to the word and say it back.
    AskWhich word did you hear? Say it again.
  2. Put your finger on the category and think of the rule. Say the category and the rule.
    AskWhich category is in it? What is the rule?
  3. Write the word down. A samenstelling (compound word)? Put a star in front of it.
    AskIs it a compound word?
  4. A verb? First: is it the persoonsvorm (finite verb)? Then the verb rule: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat en bij de gebiedende wijs. (Finite verb in the present tense: the ‘I’ form + t, except with ik, when jij or je comes after it, and in the imperative.)
    AskIs it the finite verb? What is the ik-vorm (the ‘I’ form)?

Words in bold are the Dutch words your child uses in class.

Practise together at the table

  1. Read each word aloud once; your child says it back and writes it down: het cellootje · het gorillaatje · de yoga.Ask: which category do you recognise? What is the rule?
  2. Verb rows: you say the verb (bedenken · herkennen · verhuizen), your child writes ik … · hij … · … jij?Ask: what is the ‘I’ form? Where does a t go?
  3. Read aloud: ‘Zij plukt zes rode appels en een gele peer.’ Your child writes the word class under each word: ww (verb), tw (number word), bnw (adjective), znw (noun), lw (article) or vw (conjunction). (Skip Zij.)Ask: which word says how many?
  4. Choose a category that is still difficult, say the rule and think of three words.Ask: how do you know it is right?

How did it go?

Tip from the teacher

  • Use the same words and rules at home as at school: other material, also from the internet, can be confusing.
  • A word not working? Show it once; your child says it back and then writes it alone.
Answers for the parent: 1: het cellootje: Verkleinwoord met -ootje. · het gorillaatje: Verkleinwoord met -aatje. · de yoga: Griekse y-woord. Ik schrijf Griekse y. · 2: ik bedenk · hij bedenkt · bedenk jij? / ik herken · hij herkent · herken jij? / ik verhuis · hij verhuist · verhuis jij? · 3: Zij plukt (ww) zes (tw) rode (bnw) appels (znw) en (vw) een (lw) gele (bnw) peer (znw) · 4: own words.

Was deze kaart nuttig?Was this card useful?

Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.

Deze kaart in een andere taal of laten voorlezen? Scan de code. This card in another language or read aloud? Scan the code.
De Bloesem · groep 6 · gemaakt bij de les van de juf De Bloesem · group 6 · made with the teacher's lesson