Het uitroepteken nog eens
Lesdoel: "Ik kan het uitroepteken goed gebruiken."
Zo coacht u: het uitroepteken verwoorden zoals op school
Uw kind oefende vandaag nog eens met het uitroepteken: aan het eind van een uitroep (zoals ‘Wat leuk!’) of een bevel (zoals ‘Schrijf op!’). In het werkboek koos uw kind ook tussen een komma, een punt, een vraagteken en een uitroepteken.
- Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
- Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
- Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
- Lees de zin hardop voor. Is het een uitroep, een bevel, een vraag of een gewone zin?VraagIs het een uitroep? Moet je iets doen? Wordt er iets gevraagd?
- Een uitroep? Zeg: ‘Het is een uitroep. Je schrijft een uitroepteken aan het eind van de zin.’VraagWaar komt het uitroepteken? Waarom?
- Een bevel? Zeg: ‘Het is een bevel, je moet iets (niet) doen. Je schrijft een uitroepteken aan het eind van de zin.’VraagMoet je iets (niet) doen? Waar komt het uitroepteken?
- Een vraag? Dan komt er een vraagteken. Een gewone zin? Dan komt er een punt.VraagWelk teken hoort er dan aan het eind?
Samen oefenen aan tafel
- Lees voor; uw kind schrijft de zinnen op, met een uitroepteken, vraagteken of punt: ‘Pas op voor de sloot’ · ‘Mijn zus speelt hockey’ · ‘Kun je even helpen’ · ‘Wat een mooie regenboog’.Vraag: is het een uitroep, een bevel, een vraag of een gewone zin?1: Pas op voor de sloot! (bevel) · Mijn zus speelt hockey. (gewone zin) · Kun je even helpen? (vraag) · Wat een mooie regenboog! (uitroep)
- Lees voor: ‘Op zolder heeft mijn oom een kleine boot gebouwd.’ Uw kind zoekt de persoonsvorm (pv), het werkwoordelijk gezegde (wwg) en het onderwerp (ond).Maak er een vraag van: welk woord komt vooraan? Vraag voor het onderwerp: wie + het werkwoordelijk gezegde?2: persoonsvorm heeft; werkwoordelijk gezegde heeft gebouwd; onderwerp mijn oom (Wie heeft gebouwd?)
- Uit het dagelijks leven: u zegt drie bevelen en drie uitroepen door elkaar; uw kind schrijft ze op en zegt bij elk de regel.Vraag: moet je iets doen, of is het een uitroep?3: eigen zinnen
Hoe ging het?
Tip van de juf
- Zeg bij elke zin de regel hardop; niet alleen het teken zetten.
- Een uitroepteken hoort alleen bij een uitroep of een bevel. Bij een vraag hoort een vraagteken en bij een gewone zin een punt.
The exclamation mark once more
Learning goal: "I can use the exclamation mark correctly."
How you coach: saying the exclamation mark rule, as at school
Today your child practised the uitroepteken (exclamation mark) once more: at the end of an uitroep (exclamation, such as ‘Wat leuk!’, How nice!) or a bevel (command, such as ‘Schrijf op!’, Write it down!). In the workbook your child also chose between a comma, a full stop, a question mark and an exclamation mark.
- Let your child explain. You listen and ask more.
- Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
- Praise the method, not just the answer.
- Read the sentence aloud. Is it an exclamation, a command, a question or an ordinary sentence?AskIs it an exclamation? Do you have to do something? Is something being asked?
- An exclamation? Say: ‘Het is een uitroep. Je schrijft een uitroepteken aan het eind van de zin. (It is an exclamation. You write an exclamation mark at the end of the sentence.)’AskWhere does the exclamation mark go? Why?
- A command? Say: ‘Het is een bevel, je moet iets (niet) doen. Je schrijft een uitroepteken aan het eind van de zin. (It is a command, you have to do (or not do) something. You write an exclamation mark at the end of the sentence.)’AskDo you have to do (or not do) something? Where does the exclamation mark go?
- A question? Then it gets a question mark. An ordinary sentence? Then it gets a full stop.AskWhich mark goes at the end then?
Words in bold are the Dutch words your child uses in class.
Practise together at the table
- Read aloud; your child writes the sentences down with an exclamation mark, question mark or full stop: ‘Pas op voor de sloot’ · ‘Mijn zus speelt hockey’ · ‘Kun je even helpen’ · ‘Wat een mooie regenboog’.Ask: is it an exclamation, a command, a question or an ordinary sentence?1: Pas op voor de sloot! (command) · Mijn zus speelt hockey. (ordinary sentence) · Kun je even helpen? (question) · Wat een mooie regenboog! (exclamation)
- Read aloud: ‘Op zolder heeft mijn oom een kleine boot gebouwd.’ Your child finds the persoonsvorm (pv, finite verb), the werkwoordelijk gezegde (wwg, all the verbs together) and the onderwerp (ond, subject).Make it a question: which word comes first? For the subject ask: who + all the verbs together?2: persoonsvorm heeft; werkwoordelijk gezegde heeft gebouwd; onderwerp mijn oom (Wie heeft gebouwd?)
- From daily life: you say three commands and three exclamations in Dutch, mixed up; your child writes them down and says the rule for each.Ask: do you have to do something, or is it an exclamation?3: own sentences
How did it go?
Tip from the teacher
- Say the rule out loud with every sentence, not just the mark.
- Exclamation mark: only with an exclamation or a command. A question gets a question mark, a statement a full stop.
Was deze kaart nuttig?Was this card useful?
Dank je! Je antwoord is anoniem; alleen het aantal gaat naar de juf.Thank you! Your answer is anonymous; only the count goes to the teacher.
Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.