Herhaling: categorieën en werkwoorden
Lesdoel: "Ik kan de categorieën en werkwoorden waar ik nog moeite mee heb goed schrijven."
Zo coacht u: categorie, regel en werkwoordtijden
Week 4 is de herhalingsweek van blok 7: uw kind oefent nog eens de categorieën en werkwoorden waar het nog moeite mee heeft. Bij een werkwoord noemt het de tijd, schrijft het de andere tijden op en zegt het de werkwoordregel.
- Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
- Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
- Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
- Luister naar het woord en zeg het na.VraagWelk woord hoorde je? Zeg het nog eens.
- Leg je vinger op de categorie en denk aan de regel. Zeg de categorie en de regel in klanknamen. Schrijf het woord op; een samenstelling krijgt een sterretje.VraagWelke categorie zit erin? Wat is de regel?
- Een werkwoord? Zeg in welke tijd het staat, schrijf de andere tijden op en noem de werkwoordregel. Tegenwoordige tijd: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat. Verleden tijd van een sterk werkwoord of voltooid deelwoord: ‘Ik denk aan de categoriekaart.’VraagIn welke tijd staat het werkwoord? Wat zijn de andere tijden?
Samen oefenen aan tafel
- Lees elk woord één keer voor; uw kind zegt het na en schrijft het op: de opera’s · het kanootje · Brazilië.Vraag: welke categorie herken je? Wat is de regel?1: de opera’s: apostrof-s-meervoud · het kanootje: verkleinwoord met -ootje · Brazilië: tremawoord, puntjes op de e
- Lees voor; uw kind noemt de tijd en schrijft de andere tijden op: ‘Zij vond haar sleutel.’ · ‘Ik heb een brief geschreven.’ · ‘Ik zwem snel.’Vraag: in welke tijd staat de zin? Welke werkwoordregel hoort erbij?2: vond (verleden tijd): zij vindt – zij heeft gevonden · heb geschreven (voltooide tijd): ik schrijf – ik schreef · zwem (tegenwoordige tijd): ik zwom – ik heb gezwommen
- Lees voor: ‘Heeft de bakker de taart gebakken?’ Uw kind zoekt de persoonsvorm (pv), het werkwoordelijk gezegde (wwg) en het onderwerp (ond).Zet de zin in de verleden tijd: welk woord verandert?3: pv heeft (tijdproef: Had de bakker …?); wwg heeft gebakken; ond de bakker
- Welke categorie vind je nog lastig? Zeg de regel en bedenk er twee woorden bij.Vraag: hoe weet je dat het klopt?4: eigen woorden
Hoe ging het?
Tip van de juf
- Lukt iets niet meteen? Geen zorgen: op school komt de stof vaak genoeg terug.
- Gebruik thuis dezelfde woorden en regels als op school: andere oefeningen, ook van internet, kunnen verwarring geven.
Revision: categories and verbs
Learning goal: "I can correctly write the categories and verbs I still find difficult."
How you coach: category, rule and verb tenses
Week 4 is the revision week of block 7: your child practises once more the categories and verbs they still find difficult. With a verb your child names the tense, writes down the other tenses and says the verb rule.
- Let your child explain. You listen and ask more.
- Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
- Praise the method, not just the answer.
- Listen to the word and say it back.AskWhich word did you hear? Say it again.
- Put your finger on the category and think of the rule. Say the category and the rule using letter sounds. Write the word down; a samenstelling (compound word) gets a star.AskWhich category is in it? What is the rule?
- A verb? Say which tense it is in, write down the other tenses and say the verb rule. Present tense: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat. (Finite verb in the present tense: the ‘I’ form + t, except with ik and when jij or je comes after it.) Past tense of a strong verb, or past participle: ‘Ik denk aan de categoriekaart.’ (I think of the category card.)AskWhich tense is the verb in? What are the other tenses?
Words in bold are the Dutch words your child uses in class.
Practise together at the table
- Read each word aloud once; your child says it back and writes it down: de opera’s · het kanootje · Brazilië.Ask: which category do you recognise? What is the rule?1: de opera’s: apostrof-s-meervoud · het kanootje: verkleinwoord with -ootje · Brazilië: tremawoord, dots on the e
- Read aloud; your child names the tense and writes the other tenses: ‘Zij vond haar sleutel.’ · ‘Ik heb een brief geschreven.’ · ‘Ik zwem snel.’Ask: which tense is the sentence in? Which verb rule goes with it?2: vond (past): zij vindt – zij heeft gevonden · heb geschreven (perfect): ik schrijf – ik schreef · zwem (present): ik zwom – ik heb gezwommen
- Read aloud: ‘Heeft de bakker de taart gebakken?’ Your child finds the persoonsvorm (pv, finite verb), the werkwoordelijk gezegde (wwg, all the verbs) and the onderwerp (ond, subject).Say the sentence in the past tense: which word changes?3: pv heeft (tijdproef: Had de bakker …?); wwg heeft gebakken; ond de bakker
- Which category do you still find difficult? Say the rule and think of two words for it.Ask: how do you know it is right?4: own words
How did it go?
Tip from the teacher
- Not working straight away? Don’t worry: it comes back often enough at school.
- Use the same words and rules as at school: other exercises, also from the internet, can be confusing.
Was deze kaart nuttig?Was this card useful?
Dank je! Je antwoord is anoniem; alleen het aantal gaat naar de juf.Thank you! Your answer is anonymous; only the count goes to the teacher.
Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.