Coachkaart voor thuis · De Bloesem

Persoonsvorm of voltooid deelwoord?

Groep 6Spelling · Blok 4, week 1 · les 210 min, zonder scherm

Lesdoel: "Ik kan de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd goed schrijven."

Zo coacht u: persoonsvorm of voltooid deelwoord, de verwoording van school

Uw kind oefende vandaag met het verschil tussen een persoonsvorm (hij verbetert) en een voltooid deelwoord (zij heeft bevrijd). Het oefendictee maakte uw kind zonder categoriekaart: de regels moeten in het hoofd zitten. Ook herhaalde uw kind de woordsoorten, zoals lidwoord, zelfstandig naamwoord en werkwoord.

  • Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
  • Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
  • Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
  1. Zeg het werkwoord en benoem het: ‘… is een persoonsvorm’ of ‘… is geen persoonsvorm, het is een voltooid deelwoord’.
    VraagIs dit een persoonsvorm of een voltooid deelwoord? Hoe weet je dat?
  2. Een persoonsvorm? Ga verder met het werkwoordschema en gebruik de werkwoordregel: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat.
    VraagStaat er hij, zij of jij voor, of staat jij erachter? Wat is de ik-vorm?
  3. Geen persoonsvorm (een voltooid deelwoord)? Denk aan de categoriekaart, bij bevrijd: voorvoegsel, niet op de ei-plaat, langermaakwoord.
    VraagWelke categorieën zitten er in dit woord?
  4. Zeg bij het woord de categorie en de regel in klanknamen (de geluiden, niet de letternamen).
    VraagWelke categorie is het en wat is de regel?

Samen oefenen aan tafel

  1. Lees voor: hij onthoudt · hij heeft onthouden · zij herinnert · zij heeft herinnerd. Persoonsvorm of voltooid deelwoord? Schrijf de persoonsvormen op.Vraag: welke regel hoort erbij?
  2. Lees voor: jij onthoudt · onthoud jij? · jij herinnert · herinner jij? Uw kind schrijft ze op.Vraag: staat jij ervoor of erachter?
  3. Lees voor: ‘De bakker verschuift de kist.’ Zet eronder: lidwoord (lw), zelfstandig naamwoord (znw), werkwoord (ww).Vraag: welk woord is het werkwoord?
  4. Uit het dagelijks leven: uw kind maakt twee zinnen over wat er in huis gebeurt, één met heb of is (Ik heb gekookt.) en één zonder (Papa kookt.). Welk woord is de persoonsvorm, en welk woord is een voltooid deelwoord?Vraag: welk woord verandert als je de zin in een andere tijd zegt?

Hoe ging het?

Tip van de juf

  • Veelgemaakte fout: een t aan het eind van een voltooid deelwoord (zij heeft bevrijd, niet bevrijdt), of een t vergeten bij een persoonsvorm.
  • Zonder categoriekaart: laat uw kind eerst de regel in zijn hoofd zeggen en dan pas schrijven.
Antwoorden voor de ouder: 1: persoonsvorm: hij onthoudt, zij herinnert; voltooid deelwoord: hij heeft onthouden, zij heeft herinnerd · 2: jij onthoudt, jij herinnert (jij ervoor: t) · onthoud jij?, herinner jij? (jij erachter: geen t) · 3: De (lw) bakker (znw) verschuift (ww) de (lw) kist (znw) · 4: heb en kookt zijn persoonsvormen, gekookt is een voltooid deelwoord.
Home coaching card · De Bloesem

Finite verb or past participle?

Year group 6Spelling · Block 4, week 1 · lesson 210 min, no screens

Learning goal: "I can write the finite verb in the present tense correctly."

How you coach: finite verb or past participle, in the school’s words

Today your child practised the difference between a persoonsvorm (finite verb: hij verbetert) and a voltooid deelwoord (past participle: zij heeft bevrijd). Your child did the practice dictation without the category card: the rules have to be in their head. Your child also revised the word classes, such as lidwoord (article), zelfstandig naamwoord (noun) and werkwoord (verb).

  • Let your child explain. You listen and ask more.
  • Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
  • Praise the method, not just the answer.
  1. Say the verb and name it: ‘… is een persoonsvorm’ or ‘… is geen persoonsvorm, het is een voltooid deelwoord’.
    AskIs this a finite verb or a past participle? How do you know?
  2. A finite verb? Carry on with the werkwoordschema (verb chart) and use the verb rule: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat. (Finite verb in the present tense: the ‘I’ form + t, except with ik and when jij or je comes after it.)
    AskIs there hij, zij or jij before it, or does jij come after it? What is the ik-vorm (the ‘I’ form)?
  3. Not a finite verb (a past participle)? Think of the category card; for bevrijd that is: voorvoegsel, niet op de ei-plaat, langermaakwoord.
    AskWhich categories are in this word?
  4. With each word, say the category and the rule using letter sounds (the sound, not the name of the letter).
    AskWhich category is it and what is the rule?

Words in bold are the Dutch words your child uses in class.

Practise together at the table

  1. Read aloud: hij onthoudt · hij heeft onthouden · zij herinnert · zij heeft herinnerd. Finite verb or past participle? Write down the finite verbs.Ask: which rule goes with it?
  2. Read aloud: jij onthoudt · onthoud jij? · jij herinnert · herinner jij? Your child writes them down.Ask: does jij come before or after the verb?
  3. Read aloud: ‘De bakker verschuift de kist.’ Write underneath: lidwoord (lw), zelfstandig naamwoord (znw), werkwoord (ww).Ask: which word is the verb?
  4. From daily life: your child makes two Dutch sentences about what is happening at home, one with heb or is (Ik heb gekookt.) and one without (Papa kookt.). Which word is the finite verb, and which is a past participle?Ask: which word changes if you say the sentence in a different tense?

How did it go?

Tip from the teacher

  • Common mistake: a t at the end of a past participle (zij heeft bevrijd, not bevrijdt), or forgetting the t on a finite verb.
  • Without the category card: let your child first say the rule in their head, and only then write.
Answers for the parent: 1: finite verb: hij onthoudt, zij herinnert; past participle: hij heeft onthouden, zij heeft herinnerd · 2: jij onthoudt, jij herinnert (jij before: t) · onthoud jij?, herinner jij? (jij after: no t) · 3: De (lw) bakker (znw) verschuift (ww) de (lw) kist (znw) · 4: heb and kookt are finite verbs, gekookt is a past participle.

Was deze kaart nuttig?Was this card useful?

Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.

Deze kaart in een andere taal of laten voorlezen? Scan de code. This card in another language or read aloud? Scan the code.
De Bloesem · groep 6 · gemaakt bij de les van de juf De Bloesem · group 6 · made with the teacher's lesson