Coachkaart voor thuis ยท De Bloesem

Werkwoordelijk gezegde en leestekens

Groep 6Spelling ยท Blok 3, week 2 ยท les 310 min, zonder scherm

Lesdoel: "Ik kan het werkwoordelijk gezegde herkennen in een zin."

Zo coacht u: het werkwoordelijk gezegde en de leestekens

Uw kind oefende vandaag opnieuw het werkwoordelijk gezegde: de persoonsvorm en alle andere werkwoorden in de zin. Het onderwerp vindt uw kind met: wie of wat + werkwoordelijk gezegde? Ook herhaalde uw kind de hoofdletters en leestekens in een zin met iemand die iets zegt.

  • Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
  • Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
  • Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
  1. Zoek de persoonsvorm: maak van de zin een vraag (vraagproef) of zeg de zin in een andere tijd (tijdproef).
    VraagWelk woord komt vooraan of verandert? Hoe heet dat woord?
  2. Zoek de andere werkwoorden in de zin. Samen met de persoonsvorm zijn dat het werkwoordelijk gezegde.
    VraagZie je nog meer werkwoorden in de zin?
  3. Zeg: โ€˜De persoonsvorm is โ€ฆ Een ander werkwoord in de zin is โ€ฆ Het werkwoordelijk gezegde is โ€ฆโ€™ en schrijf wwg onder die woorden.
    VraagWat is het werkwoordelijk gezegde?
  4. Zoek het onderwerp met de vraag: wie of wat + werkwoordelijk gezegde? Kijk daarna naar de hoofdletters en leestekens.
    VraagWie of wat โ€ฆ (zeg het werkwoordelijk gezegde)? Welke hoofdletters en leestekens zie je?

Samen oefenen aan tafel

  1. Lees voor: โ€˜De kat slaapt in de mand.โ€™ Uw kind zoekt de persoonsvorm, het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp.Maak er een vraag van of zeg de zin in een andere tijd: welk woord komt vooraan of verandert?
  2. Lees voor: โ€˜Mijn opa is naar Spanje gereisd.โ€™ Zelfde vragen.Vraag: hoeveel werkwoorden zie je in de zin?
  3. Lees voor: โ€˜Het meisje wil graag voetballen.โ€™ Zelfde vragen.Vraag: welk werkwoord verandert als je de zin in een andere tijd zegt?
  4. Schrijf op een briefje: mijn broer vraagt mag ik een appel. Uw kind zet de hoofdletters en leestekens erbij.Vraag: welk leesteken komt voor wat mijn broer vraagt? En aan het eind?

Hoe ging het?

Tip van de juf

  • Het werkwoordelijk gezegde kan uit รฉรฉn werkwoord bestaan (slaapt) of uit meer (is gereisd): de persoonsvorm is er altijd รฉรฉn van.
  • Bij een zin met iemand die iets zegt schrijft uw kind een dubbele punt en aanhalingstekens, en de hoofdletter staat na het openen van de aanhalingstekens.
Antwoorden voor de ouder: 1: slaapt (pv en wwg) ยท de kat (ond) ยท 2: is (pv) ยท is gereisd (wwg) ยท mijn opa (ond) ยท 3: wil (pv) ยท wil voetballen (wwg) ยท het meisje (ond) ยท 4: Mijn broer vraagt: โ€˜Mag ik een appel?โ€™
Home coaching card ยท De Bloesem

Verbal predicate and punctuation

Year group 6Spelling ยท Block 3, week 2 ยท lesson 310 min, no screens

Learning goal: "I can recognise the verbal predicate in a sentence."

How you coach: the verbal predicate and punctuation

Today your child practised the werkwoordelijk gezegde (verbal predicate) again: the persoonsvorm (finite verb) plus all the other verbs in the sentence. Your child finds the onderwerp (subject) with: wie of wat (who or what) + verbal predicate? Your child also revised capital letters and punctuation in a sentence where someone is speaking.

  • Let your child explain. You listen and ask more.
  • Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
  • Praise the method, not just the answer.
  1. Find the finite verb: turn the sentence into a question (vraagproef, question test) or say it in a different tense (tijdproef, tense test).
    AskWhich word moves to the front or changes? What is that word called?
  2. Find the other verbs in the sentence. Together with the finite verb, they are the verbal predicate.
    AskCan you see any more verbs in the sentence?
  3. Say: โ€˜De persoonsvorm is โ€ฆ Een ander werkwoord in de zin is โ€ฆ Het werkwoordelijk gezegde is โ€ฆโ€™ and write wwg under those words.
    AskWhat is the verbal predicate?
  4. Find the subject with the question: wie of wat + verbal predicate? Then look at the capital letters and punctuation.
    AskWie of wat โ€ฆ (say the verbal predicate)? Which capital letters and punctuation marks do you see?

Words in bold are the Dutch words your child uses in class.

Practise together at the table

  1. Read aloud: โ€˜De kat slaapt in de mand.โ€™ Your child finds the finite verb, the verbal predicate and the subject.Turn it into a question or say it in a different tense: which word moves to the front or changes?
  2. Read aloud: โ€˜Mijn opa is naar Spanje gereisd.โ€™ Same questions.Ask: how many verbs can you see in the sentence?
  3. Read aloud: โ€˜Het meisje wil graag voetballen.โ€™ Same questions.Ask: which verb changes when you say the sentence in a different tense?
  4. Write on a piece of paper: mijn broer vraagt mag ik een appel. Your child adds the capital letters and punctuation.Ask: which punctuation mark comes before what my brother asks? And at the end?

How did it go?

Tip from the teacher

  • The verbal predicate can be one verb (slaapt) or more (is gereisd): the finite verb is always one of them.
  • In a sentence where someone speaks, your child writes a colon and quotation marks, and the capital letter comes after the opening quotation mark.
Answers for the parent: 1: slaapt (pv and wwg) ยท de kat (ond) ยท 2: is (pv) ยท is gereisd (wwg) ยท mijn opa (ond) ยท 3: wil (pv) ยท wil voetballen (wwg) ยท het meisje (ond) ยท 4: Mijn broer vraagt: โ€˜Mag ik een appel?โ€™

Was deze kaart nuttig?Was this card useful?

Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.

Deze kaart in een andere taal of laten voorlezen? Scan de code. This card in another language or read aloud? Scan the code.
De Bloesem ยท groep 6 ยท gemaakt bij de les van de juf De Bloesem ยท group 6 ยท made with the teacher's lesson