Het werkwoordelijk gezegde
Lesdoel: "Ik kan het werkwoordelijk gezegde herkennen in een zin."
Zo coacht u: het werkwoordelijk gezegde van school
Uw kind leerde vandaag een nieuw zinsdeel: het werkwoordelijk gezegde. Dat is de persoonsvorm en alle andere werkwoorden in de zin. In ‘Ik heb een boek gelezen’ zitten twee werkwoorden: het werkwoordelijk gezegde is heb gelezen. In ‘De zon schijnt’ zit er één: schijnt.
- Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
- Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
- Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
- Zoek de persoonsvorm: maak van de zin een vraag (vraagproef) of zeg de zin in een andere tijd (tijdproef). Het woord dat vooraan komt of verandert, is de persoonsvorm.VraagWelk woord is de persoonsvorm? Hoe weet je dat?
- Zoek de andere werkwoorden in de zin.VraagZie je nog meer werkwoorden in de zin?
- Zeg: ‘De persoonsvorm is … Een ander werkwoord in de zin is … Het werkwoordelijk gezegde is …’ en schrijf wwg onder die woorden.VraagWat is het werkwoordelijk gezegde? Waaruit bestaat het?
- Zoek het onderwerp met de vraag: wie of wat + werkwoordelijk gezegde?VraagWie of wat … (zeg het werkwoordelijk gezegde)?
Samen oefenen aan tafel
- Lees voor: ‘De bus stopt bij het station.’ Uw kind zoekt de persoonsvorm, het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp.Maak er een vraag van of zeg de zin in een andere tijd: welk woord komt vooraan of verandert?1: stopt (pv en wwg) · de bus (ond)
- Lees voor: ‘Mijn broer heeft zijn kamer geschilderd.’ Zelfde vragen.Vraag: hoeveel werkwoorden zie je in de zin?2: heeft (pv) · heeft geschilderd (wwg) · mijn broer (ond)
- Lees voor: ‘Wij willen een hut bouwen.’ Zelfde vragen.Vraag: welk werkwoord verandert als je de zin in een andere tijd zegt?3: willen (pv) · willen bouwen (wwg) · wij (ond)
- Uit het dagelijks leven: uw kind bedenkt een zin over wat er thuis gebeurt met twee werkwoorden (bijvoorbeeld met heb of ga) en zoekt het werkwoordelijk gezegde.Vraag: welk woord is de persoonsvorm? Staat er nog een werkwoord in?4: eigen zin.
Hoe ging het?
Tip van de juf
- Het werkwoordelijk gezegde kan uit meer dan één werkwoord bestaan (heeft geschilderd): de persoonsvorm is er altijd één van.
- Het onderwerp vindt uw kind voortaan met: wie of wat + werkwoordelijk gezegde? Gebruik de namen van de zinsdelen ook thuis.
The verbal predicate
Learning goal: "I can recognise the verbal predicate in a sentence."
How you coach: the verbal predicate, in the school’s words
Today your child learned a new part of the sentence: the werkwoordelijk gezegde (verbal predicate). That is the persoonsvorm (finite verb) plus all the other verbs in the sentence. In ‘Ik heb een boek gelezen’ there are two verbs: the verbal predicate is heb gelezen. In ‘De zon schijnt’ there is one: schijnt.
- Let your child explain. You listen and ask more.
- Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
- Praise the method, not just the answer.
- Find the persoonsvorm: turn the sentence into a question (vraagproef, question test) or say it in a different tense (tijdproef, tense test). The word that moves to the front or changes is the finite verb.AskWhich word is the finite verb? How do you know?
- Find the other verbs in the sentence.AskCan you see any more verbs in the sentence?
- Say: ‘De persoonsvorm is … Een ander werkwoord in de zin is … Het werkwoordelijk gezegde is …’ (The finite verb is … Another verb in the sentence is … The verbal predicate is …) and write wwg under those words.AskWhat is the verbal predicate? What is it made of?
- Find the onderwerp (subject) with the question: wie of wat (who or what) + verbal predicate?AskWie of wat … (say the verbal predicate)?
Words in bold are the Dutch words your child uses in class.
Practise together at the table
- Read aloud: ‘De bus stopt bij het station.’ Your child finds the finite verb, the verbal predicate and the subject.Turn it into a question or say it in a different tense: which word moves to the front or changes?1: stopt (pv and wwg) · de bus (ond)
- Read aloud: ‘Mijn broer heeft zijn kamer geschilderd.’ Same questions.Ask: how many verbs can you see in the sentence?2: heeft (pv) · heeft geschilderd (wwg) · mijn broer (ond)
- Read aloud: ‘Wij willen een hut bouwen.’ Same questions.Ask: which verb changes when you say the sentence in a different tense?3: willen (pv) · willen bouwen (wwg) · wij (ond)
- From daily life: your child makes up a Dutch sentence about something at home with two verbs (for example with heb or ga) and finds the verbal predicate.Ask: which word is the finite verb? Is there another verb?4: own sentence.
How did it go?
Tip from the teacher
- The verbal predicate can be more than one verb (heeft geschilderd): the finite verb is always one of them.
- From now on your child finds the subject with: wie of wat + verbal predicate? Use the Dutch names of the sentence parts at home too.
Was deze kaart nuttig?Was this card useful?
Dank je! Je antwoord is anoniem; alleen het aantal gaat naar de juf.Thank you! Your answer is anonymous; only the count goes to the teacher.
Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.