Coachkaart voor thuis · De Bloesem

Herhaling: laatste les van blok 2

Groep 6Spelling · Blok 2, week 4 · les 510 min, zonder scherm

Lesdoel: "Ik kan de categorieën waar ik nog moeite mee heb goed schrijven."

Zo coacht u: categorie en regel bij elk woord

Het was de laatste les van blok 2. Uw kind verwoordde woorden van links naar rechts, met klanknamen, en zei bij elk woord de categorie en de regel. Zo liet uw kind zien wat het al weet.

  • Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
  • Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
  • Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
  1. Zeg het woord na en verwoord het van links naar rechts, met klanknamen.
    VraagWat is de klankgroep? Wat is de laatste klank?
  2. Zeg bij elke categorie in het woord de regel, bijvoorbeeld: Kilowoord. Ik schrijf i. Of: Taxiwoord. Ik schrijf x.
    VraagWelke categorieën zitten erin? Wat is bij elke de regel?
  3. Leg je vinger op de categorie. Denk aan de regel. Schrijf het woord op en zet het nummer van de categorie erboven. Een samenstelling? Zet een sterretje ervoor.
    VraagIs het een samenstelling? Welk nummer zet je erboven?
  4. Werkwoord in een zin: kijk naar de persoonsvorm en bedenk er ‘nu’ of ‘eerder’ bij.
    VraagIs het nu of eerder? Staat er een hulpwerkwoord in?

Samen oefenen aan tafel

  1. Lees elk woord één keer voor; uw kind zegt het na, verwoordt van links naar rechts en schrijft het op: het examen · het prieel · virtueel.Vraag: welke categorieën zitten erin? Wat is de regel?
  2. Welke tijd? Lees voor: Mijn zus fluit een liedje. · Wij hebben pannenkoeken gebakken. · De bus reed langzaam. Uw kind zegt de persoonsvorm en de tijd.Denk ‘nu’ of ‘eerder’ erbij.
  3. Kies samen één categorie waar uw kind nog extra mee wil oefenen en bedenk er drie woorden bij. Uw kind zegt bij elk woord de categorie en de regel.Vraag: hoe controleer je het woord?

Hoe ging het?

Tip van de juf

  • Complimenteer uw kind met wat al goed gaat en vraag: welke categorie wil jij nog extra oefenen? Dat zegt uw kind ook tegen de juf.
  • Een woord kan meer dan één categorie hebben. Verwoord altijd van links naar rechts.
Antwoorden voor de ouder: 1: examen: Taxiwoord. Ik schrijf x. klankgroep aa: lange klank, een stukje van de aa weg · prieel: Kilowoord. Ik schrijf i. Eel-woord. Ik schrijf ee. · virtueel: Klankgroep tuu: lange klank, een stukje van de uu weg. Eel-woord. Ik schrijf ee. · 2: fluit: tegenwoordige tijd · hebben gebakken: voltooide tijd · reed: verleden tijd · 3: eigen woorden, met categorie en regel.
Home coaching card · De Bloesem

Revision: last lesson of block 2

Year group 6Spelling · Block 2, week 4 · lesson 510 min, no screens

Learning goal: "I can correctly write the categories I still find difficult."

How you coach: category and rule with every word

This was the last lesson of block 2. Your child talked words through from left to right, with letter sounds, and said the category and the rule with every word. That way your child showed what they already know.

  • Let your child explain. You listen and ask more.
  • Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
  • Praise the method, not just the answer.
  1. Say the word back and talk it through from left to right, with letter sounds.
    AskWhat is the sound group? What is the last sound?
  2. Say the rule for each category in the word, for example: Kilowoord. Ik schrijf i. (Kilo word: you hear /ie/ but write i.) Or: Taxiwoord. Ik schrijf x. (Taxi word: a word with an x; I write x.)
    AskWhich categories are in it? What is the rule for each?
  3. Put your finger on the category. Think of the rule. Write the word down and write the number of the category above it. A samenstelling (compound word)? Put a star in front of it.
    AskIs it a compound word? Which number do you write above it?
  4. Verb in a sentence: look at the persoonsvorm (finite verb) and think ‘nu’ (now) or ‘eerder’ (earlier).
    AskIs it now or earlier? Is there an auxiliary verb?

Words in bold are the Dutch words your child uses in class.

Practise together at the table

  1. Read each word aloud once; your child says it back, talks it through from left to right and writes it down: het examen · het prieel · virtueel.Ask: which categories are in it? What is the rule?
  2. Which tense? Read aloud: Mijn zus fluit een liedje. · Wij hebben pannenkoeken gebakken. · De bus reed langzaam. Your child names the finite verb and the tense.Think ‘nu’ or ‘eerder’.
  3. Together choose one category your child would like to practise more and think of three words for it. Your child says the category and the rule for each word.Ask: how do you check the word?

How did it go?

Tip from the teacher

  • Praise what is already going well and ask: which category would you like to practise more? Your child tells the teacher too.
  • A word can have more than one category. Always talk it through from left to right.
Answers for the parent: 1: examen: Taxiwoord. Ik schrijf x. klankgroep aa: lange klank, een stukje van de aa weg · prieel: Kilowoord. Ik schrijf i. Eel-woord. Ik schrijf ee. · virtueel: Klankgroep tuu: lange klank, een stukje van de uu weg. Eel-woord. Ik schrijf ee. · 2: fluit: present tense · hebben gebakken: perfect tense · reed: past tense · 3: own words, with category and rule.

Was deze kaart nuttig?Was this card useful?

Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.

Deze kaart in een andere taal of laten voorlezen? Scan de code. This card in another language or read aloud? Scan the code.
De Bloesem · groep 6 · gemaakt bij de les van de juf De Bloesem · group 6 · made with the teacher's lesson