Coachkaart voor thuis · De Bloesem

Categorieën en de tegenwoordige tijd

Groep 6Spelling · Blok 10, week 3 · les 110 min, zonder scherm

Lesdoel: "Ik kan de categorieën en werkwoorden die ik geleerd heb goed schrijven."

Zo coacht u: categorie en regel bij elk woord

Nog even en uw kind laat zien wat het dit jaar geleerd heeft. Vandaag herhaalde uw kind categorieën en regels, schreef een dictee en zette werkwoorden uit de verleden tijd in de tegenwoordige tijd, met de werkwoordregel erbij.

  • Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
  • Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
  • Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
  1. Luister naar het woord en zeg het na.
    VraagWelk woord hoorde je? Zeg het nog eens.
  2. Leg je vinger op de categorie en denk aan de regel. Zeg de categorie en de regel in klanknamen.
    VraagWelke categorie zit erin? Wat is de regel?
  3. Schrijf het woord op. Een samenstelling? Zet een sterretje ervoor.
    VraagIs het een samenstelling?
  4. Een werkwoord? Eerst: is het een persoonsvorm? Dan de werkwoordregel: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat en bij de gebiedende wijs.
    VraagIs het een persoonsvorm? Wat is de ik-vorm?

Samen oefenen aan tafel

  1. Lees elk woord één keer voor; uw kind herhaalt het en schrijft het op: de koala’s · de passagier · de relatie.Vraag: welke categorie herken je? Wat is de regel?
  2. U noemt de verleden tijd (ik liep · jij speelde · hij bleef · ik danste); uw kind schrijft de tegenwoordige tijd en noemt de werkwoordregel.Vraag: komt er een t bij? Waarom wel of niet?
  3. Lees voor: ‘Mijn zus bewaart haar tekeningen in een map.’ Uw kind zoekt de pv, het wwg en het ond.Zet de zin in een andere tijd: welk woord verandert?

Hoe ging het?

Tip van de juf

  • Geen t bij ‘ik’ en niet als jij of je erachter staat (‘dans jij?’). Wel een t bij ‘hij danst’ en ‘jij danst’.
  • Meer oefenen? Gebruik het oefenblad van deze les (de knop op de digitale kaart).
Antwoorden voor de ouder: 1: de koala’s: Apostrof-s-meervoud. Bij meervoud en lange klank, y of i aan het eind: apostrof-s, behalve bij ee. · de passagier: Garagewoord. Ik hoor /zj/, maar ik schrijf g. · de relatie: Net als voorvoegsel. Ik schrijf e. · T(s)ie-woord. Ik schrijf tie. (naast de klankgroepen) · 2: ik loop · jij speelt · hij blijft · ik dans (werkwoordregel van stap 4) · 3: pv bewaart (tijdproef: bewaarde) · wwg bewaart · ond mijn zus (Wie bewaart?)
Home coaching card · De Bloesem

Categories and the present tense

Year group 6Spelling · Block 10, week 3 · lesson 110 min, no screens

Learning goal: "I can correctly write the categories and verbs I have learned."

How you coach: category and rule with every word

Soon your child will show what they have learned this year. Today your child revised categories and rules, wrote a dictation and put verbs from the past tense into the present tense, with the verb rule.

  • Let your child explain. You listen and ask more.
  • Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
  • Praise the method, not just the answer.
  1. Listen to the word and say it back.
    AskWhich word did you hear? Say it again.
  2. Put your finger on the category and think of the rule. Say the category and the rule using letter sounds.
    AskWhich category is in it? What is the rule?
  3. Write the word down. A samenstelling (compound word)? Put a star in front of it.
    AskIs it a compound word?
  4. A verb? First: is it a persoonsvorm (finite verb)? Then the verb rule: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat en bij de gebiedende wijs. (Present-tense finite verb: ‘I’ form + t, except with ik, with jij/je after it, and in the imperative.)
    AskIs it a finite verb? What is the ik-vorm (the ‘I’ form)?

Words in bold are the Dutch words your child uses in class.

Practise together at the table

  1. Read each word aloud once; your child says it back and writes it down: de koala’s · de passagier · de relatie.Ask: which category do you recognise? What is the rule?
  2. You say the past tense (ik liep · jij speelde · hij bleef · ik danste); your child writes the present tense and says the verb rule.Ask: is a t added? Why or why not?
  3. Read aloud: ‘Mijn zus bewaart haar tekeningen in een map.’ Your child finds the pv (finite verb), the wwg (all the verbs) and the ond (subject).Put the sentence in a different tense: which word changes?

How did it go?

Tip from the teacher

  • No t with ‘ik’, and not when jij or je comes after the verb (‘dans jij?’). But a t with ‘hij danst’ and ‘jij danst’.
  • More practice? Use the practice sheet (button on the digital card).
Answers for the parent: 1: de koala’s: Apostrof-s-meervoud. Bij meervoud en lange klank, y of i aan het eind: apostrof-s, behalve bij ee. (Apostrophe-s plural. Plural and a long sound, y or i at the end: apostrophe-s, except with ee.) · de passagier: Garagewoord. Ik hoor /zj/, maar ik schrijf g. (Garage word. I hear /zj/, but I write g.) · de relatie: Net als voorvoegsel. Ik schrijf e. (Just like a prefix. I write e.) · T(s)ie-woord. Ik schrijf tie. (T(s)ie word: I write tie.) (besides the sound groups) · 2: ik loop · jij speelt · hij blijft · ik dans (verb rule from step 4) · 3: pv bewaart (past tense: bewaarde) · wwg bewaart · ond mijn zus (Wie bewaart?)

Was deze kaart nuttig?Was this card useful?

Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.

Deze kaart in een andere taal of laten voorlezen? Scan de code. This card in another language or read aloud? Scan the code.
De Bloesem · groep 6 · gemaakt bij de les van de juf De Bloesem · group 6 · made with the teacher's lesson