Coachkaart voor thuis · De Bloesem

Herhaling: wat nog lastig is

Groep 6Spelling · Blok 10, week 2 · les 510 min, zonder scherm

Lesdoel: "Ik kan de categorieën en werkwoorden die ik geleerd heb goed schrijven."

Zo coacht u: categorie en regel bij elk woord

De juf herhaalde vandaag wat nog niet vanzelf gaat. Uw kind zei bij elk woord de categorie en de regel, schreef een dictee met een zin, zocht in die zin de zinsdelen en bedacht wat het nog extra wil oefenen.

  • Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
  • Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
  • Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
  1. Luister naar het woord en zeg het na.
    VraagWelk woord hoorde je? Zeg het nog eens.
  2. Leg je vinger op de categorie en denk aan de regel. Zeg de categorie en de regel in klanknamen.
    VraagWelke categorie zit erin? Wat is de regel?
  3. Schrijf het woord op. Een samenstelling? Zet een sterretje ervoor.
    VraagIs het een samenstelling?
  4. Een werkwoord? Eerst: is het een persoonsvorm? Dan de werkwoordregel: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat en bij de gebiedende wijs.
    VraagIs het een persoonsvorm? Wat is de ik-vorm?

Samen oefenen aan tafel

  1. Lees elk woord één keer voor; uw kind herhaalt het en schrijft het op: het fotootje · het koninkje · een katoenen broek.Vraag: wat voor woord is het? Wat is de regel?
  2. Werkwoordenrij: u noemt het werkwoord (rekenen · tekenen · bouwen); uw kind schrijft ik … · hij … · … jij?Vraag: wat is de ik-vorm? Waar komt een t?
  3. Lees voor: ‘De buurvrouw geeft de planten water.’ Uw kind zoekt de pv, het wwg en het ond.Zet de zin in een andere tijd: welk woord verandert?
  4. Kies een categorie die nog lastig is, zeg de regel en bedenk er drie woorden bij.Vraag: hoe weet je dat het klopt?

Hoe ging het?

Tip van de juf

  • Gebruik dezelfde woorden en regels als op school: ander materiaal kan verwarring geven.
  • Meer oefenen? Gebruik het oefenblad van deze les (de knop op de digitale kaart).
Antwoorden voor de ouder: 1: het fotootje: Verkleinwoord met -ootje. · Dan ootje. · het koninkje: Verkleinwoord met -nkje. · Plankwoord. Daar mag niets tussen. · Dan je erachter. · katoenen: Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord, dus met -en. · 2: ik reken · hij rekent · reken jij? / ik teken · hij tekent · teken jij? / ik bouw · hij bouwt · bouw jij? · 3: pv geeft (tijdproef: gaf) · wwg geeft · ond de buurvrouw (Wie geeft?) · 4: eigen woorden.
Home coaching card · De Bloesem

Revision: what is still difficult

Year group 6Spelling · Block 10, week 2 · lesson 510 min, no screens

Learning goal: "I can correctly write the categories and verbs I have learned."

How you coach: category and rule with every word

Today the teacher revised what does not come automatically yet. With every word your child said the category and the rule, wrote a dictation with a sentence, found the parts of the sentence in it and thought about what they still want to practise.

  • Let your child explain. You listen and ask more.
  • Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
  • Praise the method, not just the answer.
  1. Listen to the word and say it back.
    AskWhich word did you hear? Say it again.
  2. Put your finger on the category and think of the rule. Say the category and the rule using letter sounds.
    AskWhich category is in it? What is the rule?
  3. Write the word down. A samenstelling (compound word)? Put a star in front of it.
    AskIs it a compound word?
  4. A verb? First: is it a persoonsvorm (finite verb)? Then the verb rule: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: ik-vorm+t, behalve bij ik en als jij of je erachter staat en bij de gebiedende wijs. (Present-tense finite verb: ‘I’ form + t, except with ik, with jij/je after it, and in the imperative.)
    AskIs it a finite verb? What is the ik-vorm (the ‘I’ form)?

Words in bold are the Dutch words your child uses in class.

Practise together at the table

  1. Read each word aloud once; your child says it back and writes it down: het fotootje · het koninkje · een katoenen broek.Ask: what kind of word is it? What is the rule?
  2. Verb rows: you say the verb (rekenen · tekenen · bouwen); your child writes ik … · hij … · … jij?Ask: what is the ‘I’ form? Where does a t go?
  3. Read aloud: ‘De buurvrouw geeft de planten water.’ Your child finds the pv (finite verb), the wwg (all the verbs) and the ond (subject).Put the sentence in a different tense: which word changes?
  4. Choose a category that is still difficult, say the rule and think of three words.Ask: how do you know it is right?

How did it go?

Tip from the teacher

  • Use the same words and rules as at school: other material can be confusing.
  • More practice? Use the practice sheet (button on the digital card).
Answers for the parent: 1: het fotootje: Verkleinwoord met -ootje. (Diminutive with -ootje.) · Dan ootje. (Then ootje.) · het koninkje: Verkleinwoord met -nkje. (Diminutive with -nkje.) · Plankwoord. Daar mag niets tussen. (Plank word. Nothing may come in between.) · Dan je erachter. (Then je after it.) · katoenen: Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord, dus met -en. (Material adjective, so with -en.) · 2: ik reken · hij rekent · reken jij? / ik teken · hij tekent · teken jij? / ik bouw · hij bouwt · bouw jij? · 3: pv geeft (past tense: gaf) · wwg geeft · ond de buurvrouw (Wie geeft?) · 4: own words.

Was deze kaart nuttig?Was this card useful?

Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.

Deze kaart in een andere taal of laten voorlezen? Scan de code. This card in another language or read aloud? Scan the code.
De Bloesem · groep 6 · gemaakt bij de les van de juf De Bloesem · group 6 · made with the teacher's lesson