Coachkaart voor thuis · De Bloesem

Herhaling grammatica: woordsoorten en leestekens

Groep 6Spelling · Blok 1, week 4 · les 310 min, zonder scherm

Lesdoel: "Ik kan de grammaticaonderdelen waar ik nog moeite mee heb goed toepassen."

Zo coacht u: woordsoorten, hoofdletters en leestekens

Uw kind herhaalde de woordsoorten met hun afkorting (ww, hww, vdw, lw, znw, bnw, vz) en de hoofdletters en leestekens in een zin.

  • Laat uw kind vertellen. U luistert en vraagt door.
  • Vraag, maar zeg het antwoord niet voor. Ook niet als u het weet.
  • Prijs de aanpak, niet alleen het antwoord.
  1. Noem de woordsoort van het woord en schrijf de afkorting eronder: werkwoord (ww), hulpwerkwoord (hww), voltooid deelwoord (vdw), lidwoord (lw), zelfstandig naamwoord (znw), bijvoeglijk naamwoord (bnw) of voorzetsel (vz).
    VraagWelke woordsoort is dit woord? Wat is de afkorting?
  2. Hulpwerkwoord en voltooid deelwoord horen bij elkaar. Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
    VraagWelk werkwoord hoort bij het hulpwerkwoord? Waar zegt het bijvoeglijk naamwoord iets over?
  3. Hoofdletter: aan het begin van de zin, bij namen en bij aardrijkskundige namen. Aan het eind van de zin: een punt of een vraagteken.
    VraagWaar staat een hoofdletter? Welk leesteken hoort aan het eind?

Samen oefenen aan tafel

  1. U noemt een woordsoort; uw kind zegt de afkorting: werkwoord · hulpwerkwoord · voltooid deelwoord · lidwoord · zelfstandig naamwoord · bijvoeglijk naamwoord · voorzetsel.Vraag: hoe schrijf je dat onder het woord?
  2. Lees voor: Mijn broer heeft een gele fiets geleend. Uw kind zoekt het hulpwerkwoord, het voltooid deelwoord, het bijvoeglijk naamwoord, het lidwoord en het zelfstandig naamwoord.Vraag: waar zegt het bijvoeglijk naamwoord iets over?
  3. Schrijf deze zin op met hoofdletters en een leesteken: gaan jullie in de zomer naar spanjeVraag: welk woord is een aardrijkskundige naam? Is het een vraag?
  4. Uit het dagelijks leven: kies samen een zin uit een boek of van een verpakking. Uw kind zegt bij elk woord de woordsoort en de afkorting.Vraag: welk woord zegt wat er gebeurt?

Hoe ging het?

Tip van de juf

  • Een kort trucje bij het bijvoeglijk naamwoord: vraag ‘waar zegt het iets over?’
  • Gebruik de namen van de woordsoorten ook buiten de les, bijvoorbeeld: ‘welk werkwoord hoor je in deze zin?’
Antwoorden voor de ouder: 1: ww · hww · vdw · lw · znw · bnw · vz · 2: heeft (hww) · geleend (vdw) · gele (bnw), zegt iets over fiets · een (lw) · broer en fiets (znw) · 3: Gaan jullie in de zomer naar Spanje? · 4: eigen antwoord.
Home coaching card · De Bloesem

Grammar revision: word classes and punctuation

Year group 6Spelling · Block 1, week 4 · lesson 310 min, no screens

Learning goal: "I can correctly use the parts of grammar I still find difficult."

How you coach: word classes, capital letters and punctuation

Your child revised the word classes with their abbreviations (ww, hww, vdw, lw, znw, bnw, vz) and the capital letters and punctuation in a sentence.

  • Let your child explain. You listen and ask more.
  • Ask, but do not give the answer. Not even if you know it.
  • Praise the method, not just the answer.
  1. Name the word class of the word and write the abbreviation underneath: werkwoord (ww, verb), hulpwerkwoord (hww, auxiliary verb), voltooid deelwoord (vdw, past participle), lidwoord (lw, article), zelfstandig naamwoord (znw, noun), bijvoeglijk naamwoord (bnw, adjective) or voorzetsel (vz, preposition).
    AskWhich word class is this word? What is the abbreviation?
  2. Auxiliary verb and past participle belong together. An adjective says something about a noun.
    AskWhich verb belongs with the auxiliary verb? What does the adjective say something about?
  3. Capital letter: at the start of the sentence, for names and for place names. At the end of the sentence: a full stop or a question mark.
    AskWhere is a capital letter? Which punctuation mark goes at the end?

Words in bold are the Dutch words your child uses in class.

Practise together at the table

  1. You name a word class; your child says the abbreviation: werkwoord · hulpwerkwoord · voltooid deelwoord · lidwoord · zelfstandig naamwoord · bijvoeglijk naamwoord · voorzetsel.Ask: how do you write that under the word?
  2. Read aloud: Mijn broer heeft een gele fiets geleend. Your child finds the auxiliary verb, the past participle, the adjective, the article and the noun.Ask: what does the adjective say something about?
  3. Write this sentence with capital letters and a punctuation mark: gaan jullie in de zomer naar spanjeAsk: which word is a place name? Is it a question?
  4. From daily life: together choose a sentence from a book or from packaging. Your child says the word class and the abbreviation for each word.Ask: which word says what is happening?

How did it go?

Tip from the teacher

  • A quick trick for the adjective: ask ‘what does it say something about?’
  • Use the names of the word classes outside the lesson too, for example: ‘which werkwoord do you hear in this sentence?’
Answers for the parent: 1: ww · hww · vdw · lw · znw · bnw · vz · 2: heeft (hww) · geleend (vdw) · gele (bnw), zegt iets over fiets · een (lw) · broer and fiets (znw) · 3: Gaan jullie in de zomer naar Spanje? · 4: own answer.

Was deze kaart nuttig?Was this card useful?

Anoniem: alleen het aantal gaat naar de juf.Anonymous: only the count goes to the teacher.

Deze kaart in een andere taal of laten voorlezen? Scan de code. This card in another language or read aloud? Scan the code.
De Bloesem · groep 6 · gemaakt bij de les van de juf De Bloesem · group 6 · made with the teacher's lesson